logo-narc

NAR-CNT-Banner

logo-cntc

 

 

Perscommuniqué

 

 

 

Aanbevelingen van de sociale gesprekspartners betreffende de federale diagnostiek woon-werkverkeer

Sinds 2005 zijn de Belgische werkgevers die meer dan 100 werknemers tewerkstellen wettelijk verplicht om de drie jaar een diagnostiek van de woon-werkverplaatsingen van hun werknemers te realiseren. In het vooruitzicht van de editie 2017 van de federale diagnostiek hebben de sociale gesprekspartners die zitting hebben in de CRB en in de NAR op 21 maart 2017 een unaniem advies uitgebracht, dat in twee delen uiteenvalt. In het eerste deel bevelen de sociale gesprekspartners verbeteringen in het ontwerp van vragenlijst 2017 aan, zoals dat werd voorgesteld door de FOD Mobiliteit en Vervoer. In het tweede deel formuleren de sociale gesprekspartners aanbevelingen die resulteren uit de hoorzittingen die tussen november 2016 en februari 2017 werden georganiseerd in het kader van het onderzoek van de federale diagnostiek, dat ze op eigen initiatief hebben uitgevoerd.  Met dat onderzoek, dat was aangekondigd in hun unaniem advies dd.19 juli 2016, werd een tweevoudig doel nagestreefd: 1) nagaan of de resultaten van de diagnostiek optimaal worden benut, en door wie; 2) nagaan in welke mate de beoogde doelstellingen[1] van de diagnostiek worden bereikt. Daartoe hebben de sociale gesprekspartners hoorzittingen gehouden met de vier openbare vervoermaatschappijen (NMBS, MIVB, De Lijn en TEC), met vakbondsvertegenwoordigers en mobility managers van ondernemingen en met academici.

Om de administratieve last voor de ondernemingen te beperken en de kwaliteit van de gegevens uit de diagnostiek te verbeteren, vragen de Raden om verder te werken aan de ontwikkeling van de informaticatool van de FOD Mobiliteit en Vervoer, waarmee de werknemers al kunnen worden bevraagd over de hoofdverplaatsingswijze die ze gebruiken voor hun woon-werkververkeer, en roepen ze de minister van Mobiliteit ertoe op om in de menselijke en financiële middelen te voorzien die daartoe noodzakelijk zijn. Concreet vragen de Raden om meer vragen in die tool te verwerken die door de werknemers moeten worden ingevuld, want de werknemers zijn volgens hen het best geplaatst om die vragen te beantwoorden.  

Aangezien de auto het vaakst gebruikte vervoermiddel is voor de woon-werkverplaatsingen in België, stellen de Raden voor een rubriek toe te voegen die alle vragen bundelt met betrekking tot het mobiliteitsbeleid van de werkgever wat de auto betreft (bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een bedrijfswagen, voordelen om de bezitters van een bedrijfswagen te ontraden dat voertuig te gebruiken voor het woon-werkverkeer). De Raden stellen tevens voor een vraag toe te voegen betreffende de multimodaliteit, die volgens hen kan bijdragen aan een duurzame mobiliteit.

Voorts werden vragen betreffende de werkgeversbijdrage in de kosten van de woon-werkverplaatsingen met het openbaar vervoer en met de fiets toegevoegd, teneinde nauwkeurigere informatie over die laatste te verkrijgen.

De Raden moedigen de overlegorganen van de ondernemingen aan om regelmatig aandacht te besteden aan het mobiliteitsbeleid. De federale diagnostiek draagt daartoe bij door de rol van “wake-up call” te spelen wat de mobiliteitsproblematiek in de ondernemingen betreft, en door het sociaal overleg omtrent deze problematiek in hun schoot te stimuleren. 

Uitgaande van de vaststelling dat er bij de maatschappijen voor openbaar vervoer een gebrek aan kennis is van de gebruiksmogelijkheden van de gegevens van de federale diagnostiek, en dat van die gegevens te weinig gebruik wordt gemaakt om het vervoeraanbod te verbeteren, roepen de Raden de openbare vervoermaatschappijen en de andere belanghebbende partijen ertoe op om de gegevens uit de federale diagnostiek meer te gebruiken om oplossingen te vinden voor de problemen die in de federale diagnostiek worden geïdentificeerd.

Aangezien de mobiliteitsproblemen die de ondernemingen tijdens de federale diagnostiek identificeren vaak weinig weerklank vinden en er zo te zien niet toe leiden dat oplossingen worden aangereikt, pleiten de Raden voor een betere communicatie tussen de FOD Mobiliteit en Vervoer, enerzijds en de bevoegde autoriteiten (hetzij op lokaal, hetzij op gewestelijk, of op federaal niveau), de NMBS en de gewestelijke openbare vervoermaatschappijen, anderzijds, omtrent de mobiliteitsproblemen die door de federale diagnostiek aan het licht worden gebracht.

De federale diagnostiek is een van de vele gegevensbronnen voor de analyse van de mobiliteitsproblemen, maar is uniek, in die zin dat de bestudeerde eenheid het ondernemingsniveau is, dat niet alleen een factor vormt ter verklaring van de praktijken inzake vervoersmodi (parking, arbeidstijdregeling enz.), maar ook de plaats bij uitstek voor het optreden van de overheid rond de mobiliteit van de werknemers. De “big data” (mobiele telefoongegevens) kunnen, als aanvullende gegevensbron, nuttig zijn om de congestie te verminderen en multimodaal vervoer te stimuleren. Ten slotte steunen de Raden de eventuele toekomstige initiatieven die alle telecomoperatoren ertoe zouden verplichten om, met inachtneming van de privacy, aan de overheden hun mobiele telefoongegevens ter beschikking te stellen.

 

 

 

Blijde Inkomstlaan, 17-21 - 1040 Brussel - Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233 88 59 - E-mail: griffie@nar-cnt.be - Website: www.nar-cnt.be
Av. de la Joyeuse Entrée, 17-21 - 1040 Bruxelles - Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233 88 59 - E-mail: greffe@cnt-nar.be - Website: www.cnt-nar.be
filetc-klein

 



[1] Die doelstellingen bestaan erin indicatoren en statistieken te leveren om het mobiliteitsbeleid op verschillende niveaus te ondersteunen, enerzijds, en het mobiliteitsdebat binnen de ondernemingen en de overheidsinstellingen via het sociaal overleg aan te moedigen, anderzijds.