logo-narc

NAR-CNT-Banner

logo-cntc

 

 

Perscommuniqué

 

 

 

De Nationale Arbeidsraad is op 23 februari 2016 om 16 uur in plenaire zitting samengekomen onder het voorzitterschap van de heer P. Windey.

 

 

1.  In zijn advies nr. 1.972, dat gevolg geeft aan het advies nr. 1.807 van 17 juli 2012 en aan de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 108 van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid, spreekt de Raad zich uit over de afschaffing van de 48-urenregel voor de vaststelling van arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid.

 

 

In dat opzicht heeft hij het wenselijk geacht zich vooraf te buigen over het vraagstuk van de elektronische overeenkomsten voor uitzendarbeid, en vooral de elektronische ondertekening ervan. De Raad heeft dus een onderzoek gewijd aan de voordelen van een dergelijke overgang en aan de voorwaarden die vervuld moeten zijn, namelijk:

 

          Het juridische kader aanpassen en de stabiliteit ervan verzekeren. Wat de elektronische handtekening betreft, constateert de Raad immers dat voor de elektronische overeenkomsten voor uitzendarbeid andere technieken dan de elektronische identiteitskaart ("gekwalificeerde" elektronische handtekening) volgens de huidige wetgeving dezelfde of soortgelijke veiligheidswaarborgen moeten bieden als de elektronische identiteitskaart. Die veiligheidswaarborgen werden echter nooit vastgesteld. De Raad vindt evenwel dat alternatieve technische oplossingen zouden moeten worden toegestaan, voor zover zij een veiligheidsniveau bieden dat ervoor zorgt dat de functies van de handtekening worden gewaarborgd (identificatie van de ondertekenaars, uiting van hun instemming, behoud van de integriteit van het document). Bovendien moet, in geval van betwisting, de bewijslast rusten op het uitzendbureau, dat moet aantonen dat die elektronische handtekening effectief de voornoemde drie functies waarborgt. Artikel 8 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers moet dus worden aangepast.

 

   Wat het begrip "geschrift" betreft, zou het volgens de Raad logisch zijn dat de elektronische overeenkomst voor uitzendarbeid die voldoet aan de waarborgen die hij vaststelt, dezelfde bewijskracht zou hebben als een "papieren" arbeidsovereenkomst. Hij vindt het evenwel wenselijk dat een dergelijk principe in de wet van 24 juli 1987 wordt opgenomen.

 

    Een aantal technische aspecten regelen, ook wat de archivering betreft.

 

   – Rekening houden met de haalbaarheids- en toepasbaarheidsaspecten, met name inzake informatieverstrekking aan de betrokken partijen en gebruiksgemak van het systeem.

 

 

   Ook de afschaffing zelf van de 48-urenregel vereist een aanpassing van artikel 8 van de wet van 24 juli 1987.

 

   De Raad spreekt zich bovendien uit over de "sanctie" waarin datzelfde artikel 8 voorziet (bij ontstentenis van een geschrift vastgesteld uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de uitzendkracht in dienst treedt, gelden voor die overeenkomst de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten). De Raad wijst erop dat het principe moet worden behouden volgens hetwelk (het ontwerp van) de overeenkomst voor uitzendarbeid vóór de indiensttreding van de uitzendkracht effectief moet worden ondertekend, zowel door de werkgever als door de uitzendkracht. Hij constateert echter dat de uitzendkracht zich in een beperkt aantal gevallen bij de gebruiker aanbiedt zonder zijn overeenkomst voor uitzendarbeid te hebben ondertekend. De Raad vindt dat die situaties, wanneer is voldaan aan een aantal door hem vastgestelde limitatieve en welomschreven voorwaarden, geen aanleiding mogen zijn voor de toepassing van de voornoemde sanctie. De Raad doet dienaangaande een concreet voorstel voor een wetswijziging.

 

 

   Ten slotte vraagt de Raad dat de door hem voorgestelde wetswijzigingen op 1 oktober 2016 in werking zouden treden; hij stelt ook een gedoogperiode van drie maanden voor om de haalbaarheids- en toepasbaarheidsaspecten van de overgang naar de elektronische ondertekening en bijgevolg een goede toepassing van de nieuwe wetsbepalingen te waarborgen. De Raad dringt erop aan dat de toepassing "interim@work", die door de RSZ werd ontwikkeld, op dezelfde datum, namelijk op 1 oktober 2016, in werking treedt.

 

 

2. In zijn advies nr. 1.973 vraagt de Raad dat de geldigheidsduur van artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 juli 2014 voor een jaar wordt verlengd, d.w.z. tot 1 juli 2017. Dat koninklijk besluit regelt met name de procedure voor de toelating die de minister van Werk aan werkgeversgroeperingen verleent om werknemers ter beschikking te mogen stellen van hun leden.

 

 

   In de Raad zijn er thans nog werkzaamheden aan de gang om een globale juridische oplossing te vinden voor een verbetering van het systeem van de werkgeversgroepering. Die verlenging is noodzakelijk om te voorkomen dat er een juridisch vacuüm zou ontstaan vooraleer eventueel nieuwe bepalingen tot regeling van het nieuwe systeem worden aangenomen.

 

 

3. In zijn advies nr. 1.975 spreekt de Raad zich uit over een wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling voor wat betreft de invoering van de antwoordplicht ten aanzien van sollicitanten.

 

 

4. In zijn advies nr. 1.976 werkt de Raad uit eigen beweging een aantal voorstellen uit om de rechtsonzekerheid die op het terrein bestaat met betrekking tot de bepaling van het bevoegde paritaire comité en met betrekking tot de administratieve procedure te verhelpen, gelet op de financiële gevolgen voor de betrokken actoren.

 

 

Die teksten zijn beschikbaar op de website van de Raad (www.nar-cnt.be).

 

 

Blijde Inkomstlaan, 17-21 - 1040 Brussel - Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233 88 59 - E-mail: griffie@nar-cnt.be - Website: www.nar-cnt.be
Av. de la Joyeuse Entrée, 17-21 - 1040 Bruxelles - Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233 88 59 - E-mail: greffe@cnt-nar.be - Website: www.cnt-nar.be
filetc-klein