Perscommuniqué

 

 

 

De Nationale Arbeidsraad is op 14 juli 2015 om 16 uur in plenaire zitting samengekomen onder het voorzitterschap van de heer P. Windey.

 

 

1. In advies nr. 1.951 spreekt de Raad zich gunstig uit over een ontwerp van koninklijk besluit dat met betrekking tot het betaald educatief verlof de bovengrens van het referteloon  voor de terugbetaling aan de werkgevers voor het schooljaar 2015-2016 vaststelt op 2.760 euro (geen index-aanpassing vergeleken met het schooljaar 2014-2015). Door de zesde staatshervorming zijn de gewesten immers bevoegd voor het betaald educatief verlof. De vaststelling van de bovengrens van het referteloon voor de terugbetaling aan de werkgevers heeft echter betrekking op de relatie tussen werkgever en werknemer, en het gaat daarbij over een bepaling inzake het loon; dat blijft dus een federale bevoegdheid. In zijn adviezen nr. 1.939 en nr. 1.940 heeft de Raad zich bovendien uitgesproken over de aanpassing van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, enerzijds wat het verbod van betaling van loon in cash betreft en anderzijds wat de wijziging van de procedure voor de overdracht van loon betreft.

 

2. In advies nr. 1.952 spreekt de Raad zich uit over een ontwerp van koninklijk besluit tot invoering van de elektronische ecocheques en tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers ervan. Dat ontwerp van koninklijk besluit wijzigt twee koninklijke besluiten om de tenuitvoerlegging van het stelsel van de elektronische ecocheques mogelijk te maken: het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijdcheques in elektronische vorm.

 

    De Raad heeft dat ontwerp van koninklijk besluit onderzocht in het licht van de beschouwingen en concrete voorstellen, de voorwaarden voor de overgang naar elektronische ecocheques (stabiliteit van het stelsel, aantrekkelijke kosten voor alle partijen …) en de planning voor de invoering van een dergelijk stelsel, die hij in zijn advies nr. 1.926 van 24 februari 2015 had aangegeven. In zijn advies nr. 1.952 spreekt de Raad zich met inachtneming van enkele opmerkingen gunstig uit over het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit.

 

    Hij wenst echter te wijzen op een nieuw element, dat betrekking heeft op de mogelijkheid voor de uitgevers om gebruik te maken van het rijksregisternummer voor de bestelling van zowel elektronische ecocheques als papieren ecocheques ("gemengde bestelling"). De Raad dringt erop aan dat hoofdstuk 6 - Erkenning van uitgevers van elektronische maaltijdcheques – van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen (artikelen 183 tot 185) in die zin wordt aangepast.

 

3. In zijn advies nr. 1.953 spreekt de Raad zich uit over de adviesaanvraag van de minister van Werk inzake de manier waarop de werkzoekende in kennis kan worden gesteld van de verplichting die op hem rust om zich in te schrijven bij de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling. Het voorstel omvat twee luiken namelijk enerzijds de informatieplicht voor de werkgever met betrekking tot de inschrijvingsplicht voor de ontslagen werknemer en het andere luik betreft de inschrijvingsplicht als werkzoekende binnen de maand na ontslag gekoppeld als toekenningsvoorwaarde aan het recht op werkloosheidsuitkering.

 

Onafgezien van de principiële standpunten van de organisaties, is de Raad van mening dat het voorstel een onnodig zware bijkomende administratieve verplichting zal opleggen. Daarom heeft de Raad een alternatief voorstel uitgewerkt in het licht van de principes van rechtszekerheid en het creëren van administratieve eenvoud voor zowel de werkgever als de werknemer.

 

Vanuit die optiek stelt de Raad het volgende voor:

 

-  Met betrekking tot de informatieplicht tot inschrijving als werkzoekende stelt hij voor iedere ontslagen werknemer te informeren van zijn verplichting op basis van een bijkomende  vermelding in het werkloosheidsdocument de C4, in plaats van een vermelding in de opzeggingsbrief.

 

-  Met betrekking tot het tweede luik, de periode die de werkzoekende heeft om te voldoen aan zijn inschrijvingsplicht als werkzoekende, is hij van mening dat voor de verplichting tot inschrijving binnen de maand na de opzeggingsperiode of na onmiddellijk ontslag, moet worden voorzien in een vrijstelling voor werknemers waarvan de opzeggingsperiode of verbrekingsvergoeding betrekking heeft op een periode van minder dan 1 maand.

 

Daarnaast wenst de Raad nog een aantal bijkomende bemerkingen te maken namelijk wenst hij er de aandacht op te vestigen dat de toepassingsgebieden van beide luiken coherent dienen te blijven en strikt beperkt moeten blijven tot werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst en dat in de situatie waarbij de werknemer zijn C4 werkloosheidsbewijs of een afschrift niet ontvangt, de directeur in het kader van artikel 54 van het werkloosheidsbesluit, zich kan beperken tot het geven van een verwittiging of een verlenging van de termijn.

 

4. De Raad heeft het eenparig advies nr. 1.949 uitgebracht over het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 januari 2000 tot uitvoering van artikel 2 van de wet van 20 december 1999 ter versterking van de werkbonus, onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering.

 

5. De Raad heeft zich ook nog uitgesproken over een verhoging van het invaliditeitspensioen van mijnwerkers met 2 %, parallel met de andere welvaartsaanpassingen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

 

6. In advies nr. 1.950 spreekt de Raad zich gunstig uit over twee ontwerpen van koninklijk besluit tot vaststelling van de concrete regels voor de invoering van een aanwezigheidsregistratie in de vleessector.

 

7. De Raad heeft ten slotte samen met de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven in zijn rapport nr. 92 vastgesteld dat de globale verplichting voor werkgevers om een aantal werkplekleerplaatsen, zo-als omschreven in het koninkijk besluit van 19 februari 2013, ter beschikking te stellen a rato van een procent van hun totale personeelsbestand voor de periode 2014 is vervuld (1,42 %).

 

 

Die teksten zijn beschikbaar op de website van de Raad (www.nar-cnt.be).

 

 

 

Blijde Inkomstlaan, 17-21 - 1040 Brussel - Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233 88 59 - E-mail: griffie@nar-cnt.be - Website: www.nar-cnt.be
Av. de la Joyeuse Entrée, 17-21 - 1040 Bruxelles - Tel: 02 233 88 11 - Fax: 02 233 88 59 - E-mail: greffe@cnt-nar.be - Website: www.cnt-nar.be